Beeld: Merlijn Doomernik

OntmoetVicky Francken

9 February 2017,

Vicky Francken (1989) werd bijna tien jaar geleden al door uitgevers gevraagd een dichtbundel te maken. “Daar was ik wel blij mee, maar ik was ook bang dat wat ik maakte alleen goed genoeg was omdat ik nog jong was.” De onzekerheid over haar werk is niet helemaal weg, vertelt ze, maar dit voelde wel als het goede moment voor een debuut. Röntgenfotomodel is het resultaat.

“Een lichaam waar je doorheen kijkt, dat vind ik een heel mooi beeld”, zegt Francken over de titel van de bundel. De combinatie van de woorden vindt ze intrigerend. “Met fotomodel kun je veel kanten op. Is iemand zo ontzettend mooi dat ’ie een model is op een röntgenfoto? Of is iemand zo ontzettend ziek dat ’ie heel vaak röntgenfoto’s moet laten maken?”
png-leeg
De bundel bevat meer mooie taalvondsten. Woorden als ‘wegwerpskelet’ en ‘gewetensschaap’, of een zin als Eenvoud is de verdwenen vorm / van enkelvoud en meervoud is de nieuwe norm. Bij sommige gedichten in de bundel snap je gelijk waarover Francken schrijft, soms moet je een gedicht twee keer lezen om betekenis eraan te kunnen geven. “Een gedicht is óók associatief. Voor mij zijn het altijd logische associaties, maar misschien niet voor iedereen.”
De rode draad door de bundel is de verhouding tussen lichaam en geest. Francken vertelt dat ze een fascinatie heeft voor de werking van het menselijk lichaam. We worden zonder knieschijven geboren maar / leren lopen, schrijft Francken in een van de gedichten. “Knieschijven groeien later, die ontstaan. Wonderbaarlijk vind ik dat, maar ook poëtisch.”

Zo is het menselijk lichaam inspirerend voor Francken, maar de menselijk geest net zo goed, legt ze uit. “Ik wil graag over de geest schrijven zonder zweverig te zijn. Ik vind het heel fijn om het aards te houden en bij het lichaam te beginnen, terwijl dat natuurlijk vaak een metafoor is voor wat in de geest omgaat.”
De verbinding tussen het fysieke en het mentale legt ze bijvoorbeeld in het gedicht ‘Naast’. Je moet naast een ster kijken om hem het beste te kunnen zien / maar je moet wel weten dat je je blik omhoog richt, begint het gedicht. “De staafjes en kegeltjes in ons oog werken zo dat wij sterren beter kunnen zien als we net ernaast kijken.” Francken vindt dat idee ook toepasbaar op het denken. En op het schrijven. Niet blindstaren, maar juist even ‘ernaast’ kijken. Verderop in het gedicht schrijft ze: Om te kunnen schrijven moet je niet nadenken over de geboorte / van je gedachten / anders worden ze dood geboren.

Knieschijven groeien later, die ontstaan. Wonderbaarlijk vind ik dat, maar ook poëtisch.

“Ik heb weleens last van belemmerende gedachten bij het schrijven”, licht ze toe. “Het denken gaat altijd door, tenminste bij mij. Ik krijg het niet zomaar stil.”
In het eerste gedicht van de bundel wordt het niet kunnen stoppen van gedachten direct al benoemd. De titel van het gedicht is dan ook ‘onze ratio een radio die dag en nacht een ruis voortbrengt’. Francken bevestigt dat ze zelf meer een denker dan een doener is. “Het eerste gedicht is vooral een aansporing voor mezelf. Ik kan heel veel denken en veel mooie woorden hebben, maar als ik daarmee niets doe, gaat niemand dat zien.”
Daar komt het belang van het lichaam volgens Francken weer om de hoek kijken, waarmee gedachten naar buiten gebracht kunnen worden. In het eerste gedicht verwoordt ze dat poëtisch: ik ben geen dader / maar zou dader willen zijn / doen is belangrijk.


Schrijven over het lichaam brengt snel thema’s als ziekte, verval en dood met zich mee. Die zijn in Röntgenfotomodel aanwezig, maar zeker niet overheersend. Met dat oordeel is Francken blij. “Daar was ik wel bang voor, dat het te donkere en te sombere troep zou worden.” Toch vindt ze zelf dat ze veel ziektemetaforen in de gedichten gebruikt. Lachend: “Maar die mogen wel, toch?”

Op de vraag of ze met een bundel ook door zichzelf heen laat kijken antwoordt Francken licht ontkennend. Ze heeft het expres niet al te persoonlijk gemaakt, want dat maakt het volgens haar moeilijker andere mensen aan te spreken. Ze schrijft haar gedichten bovendien niet om iets van zich af te schrijven. Dat ze zelf eens op de hartafdeling van het ziekenhuis terecht kwam, vormde bijvoorbeeld de inspiratie voor het gedicht ‘de dag nadat ik dacht dat ik doodging’, vertelt ze. Maar die gebeurtenis wordt niet letterlijk benoemd in het gedicht. “Het is persoonlijk zonder dat het er direct aan af te zien is.”

Mooie beelden en gedachten oproepen, dat is poëzie voor Francken. Ze kan vrolijk worden van een mooi gedicht dat ze leest. Of van een mooi geformuleerde zin waarbij ze zich veel kan voorstellen. Francken: “Ik ontleen daar echt een piepklein geluksmoment aan. Ik hoop dat er op zijn minst één gedicht in de bundel zit waarbij mensen zoiets ervaren.”

Een preview van het boek is hier te lezen.