De Vrouw DieSimone van Saarloos

19 December 2016,

Janine Vitafiel is een vrouw die gelooft in radicale schepping. Haar terrein is de moleculaire biologie, haar toewijding aan haar vak is totaal. Maar als Janine een paar dagen vrij vraagt om de marathon van New York te lopen, krijgt ze van haar werkgever ineens drie maanden verplicht verlof. Daar zit ze dan, in een vreemde stad, met een lege agenda.

FRAGMENT

De naam is Janine Vitafiel. Ik ben een vrije vrouw in een gevangenis. U kent mij sinds begin november. De dag dat u televisie keek en schrok van dit beeld: daar, tussen de zwoegende lijven, bewoog een blauwe verschijning. De stof wapperde als een vlag, hier werd iets gevierd wat u niet kende. Niet lang nadat de helikoptercamera’s mij registreerden, zag u hoe ik tegen de grond werd gewerkt door een beveiliger. Later bleek dat ze het zo hadden uitgekiend: een man moest eerst. Zou er een bom afgaan, dan waren de overige vier beschikbaar om gewonden op te vangen. Dan was er slechts één in kogelvrij harnas gestorven.
Het publiek drong opzij, vluchtte de genummerde straten in. Renners volgden, sprongen over de hekken, diskwalificeerden zich (vlak na mijn arrestatie werd er amnestie verleend en mochten zij hun route vervolgen).
Het waren mijn laatste minuten in de buitenlucht. Mijn lijf was opgewonden: ik had al even gerend en mijn hartslag zat – volgens de meter om mijn pols – tegen het maximum aan. Het asfalt was zacht tegen mijn wang, verwarmd door de rubberen zolen van renners. Ik ervoer het gewicht van de beveiliger en schatte hem op honderdtien kilo. Ik begreep dat hij mijn borsten niet kon voelen, omdat die tegen de grond gedrukt lagen. Ik begreep dat zijn tastende handen monitorende handen waren, zoekend naar een gordel. Kort nadat de eerste boven op mij was gesprongen, kwamen de anderen, alsof zij nog nodig waren. Ik was stil. Ze vroegen me ook niets. Ze riepen alleen. Beschuldigingen, dreigementen. Ze scholden: klootzak, lul, eikel, mietje. Er viel niets te weerleggen, ik herkende mij niet.

Misschien heeft u mij even gehaat. Tot de media unaniem verklaarden: Janine Vitafiel was geen schuilnaam, Janine Vitafiel had nooit iemand kwaad willen doen. Misschien begreep u al vlug na de onthulling van mijn achtergrond dat ik dit wilde zeggen: wij zijn een volk dat geen tirannen kent en toch gezwicht door het leven zwalkt. Wij zijn het ons creatievermogen verplicht om meer dan fier te vliegen.
Laat ik concreter zijn. Zonder concrete details komt een autobiografie niet van de grond.
Het gaat goed. Ik slaap niet, sluit mijn ogen nauwelijks. Het bed is hard. Zodra je erop gaat liggen ben je wakker. Het rubbermatras op de stalen bak laat je niet zinken. Het duwt je de ruimte in. Je vult de lucht. De muren, het plafond, de vloer zijn hard. Overal steen, alsof Medusa is langs geweest. Twee bij drie meter, tweeënhalf hoog. Dat is 250 centimeter hoog. Dat is 2500 millimeter. Dat zijn zo’n 25000000000 atomen op een rij.
Wie een verstelbaar oog heeft dat kan inzoomen als een microscoop, heeft toegang tot veel stukjes wereld.

Ik heb zo mijn eigen ritme hier. Twee minuten voordat de intercom klinkt, open ik mijn toch al wakkere ogen. Ik heb geen raam, maar ik heb wel iets moois. Het is een experiment, om het geestelijk welzijn van gevangenen te verbeteren. Ik had het zelf kunnen bedenken. In de muur, precies op de plek waar je een venster zou verwachten, zit een scherm gemonteerd, beschermd door plexiglas. Ik heb het niet getest, maar weet dat het ondoordringbaar dik is en niet zal zwichten voor agressie. Ik wrijf er graag over. Het voelt glad en vettig als mijn werkblad op het lab. Op het scherm is een lucht te zien. Een blauwe lucht, met af en toe een wolk, om aan te tonen dat het niet zomaar blauw is, maar echt een lucht. Soms regent het zelfs. Er moet iets naars gebeuren om te doen geloven dat de heldere lucht echt is.

MAAND I
De taxi reed voorbij de hoge brownstone huizen, voorbij de bomen die haast agressief over de weg bogen, alsof hun wortels beledigd waren door de afgemeten stukken aarde die ze in de stoep kregen toebedeeld. De lucht trilde boven de daken van de auto’s, dansend op de beat die uit een onbekend raam dreef. De stoet trok op en stond stil. De stoplichten wisselden van kleur zoals de reclameblokken op Amerikaanse televisie een programma onderbraken: vaak, maar kort.
Een vrouw in verpleegsteruniform negeerde het rode licht en zocht haar eigen weg tussen de optrekkende auto’s. Om haar nek hing een stethoscoop. Ze hield het borststuk van zich af als een rapper die zijn gouden ketting showt.
Een jongen rolde voorbij op een skateboard met grote wielen. Hij zette af en maakte vaart met blote voet. In zijn hand hield hij een slipper. Hij droeg een rugtas met een schild van stof waaronder zijn board kon worden vastgeklikt. De klep van zijn pet zat in zijn nek, OMG stond erop.

 

Tot nog toe was de reis voorspoedig verlopen. De douanier had haar ‘welkom thuis’ geheten. De paar keer dat ze voor een congres naar Missouri of Californië was gevlogen zeiden ze dat ook, maar nu was ze voor het eerst in de thuisstaat van haar vader.
De chauffeur verstond haar niet en moest het adres van haar telefoon aflezen voor ze bij het vliegveld wegreden. Ze spraken dezelfde taal maar met een andere achtergrond. Zijn auto rook naar kreteksigaretten.
Janine boog naar voren, ze stak haar hoofd door de opening in de plastic wand die passagier en chauffeur scheidde en vroeg naar de buurt. Hij kwam uit een ander deel van de stad. Ze vertelde dat ze moleculair bioloog was, uit Nederland kwam en drie maanden in New York zou verblijven.
‘Vakantie?’ vuurde hij.
‘Nee, nee, geen vakantie. Ik ben hier om de marathon te lopen.’
De chauffeur haalde zijn schouders op. Hij had de passieve kracht van iemand die nooit verloor of achterliep omdat hij de race negeerde.
Ze voegden in op een rotonde en passeerden de bibliotheek. De functie van het gebouw stond in dikke letters op de gevel geschreven, Library: de stad van Janines vader toonde direct haar binnenkant. Prospect Park lag ernaast, renners en fietsers zoefden in en uit. Op de stenen bankjes voor de ingang lagen daklozen, hun hoofden rustten op de gevulde plastic zakken waarin ze hun levens meetorsten.

png-leeg
De vrouw die, 2016, Uitgeverij Nijgh & van Ditmar

png-leegSimone van Saarloos
Simone van Saarloos (1990) studeerde Wijsbegeerte en Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en de New School in New York. Ze schreef literaire kritieken en interviews voor de Volkskrant en publiceerde essays, opiniestukken en fictie in De Revisor, Das Magazin, Tirade en het Amerikaanse tijdschrift 12th Street. Ze publiceerde jarenlang columns in nrc.next, die zijn gebundeld in Ik deug / deug niet (2015) en tegenwoordig schrijft ze voor Vrij Nederland. In de zomer van 2015 was ze te zien in Zomergasten. ‘De vrouw die’ is haar debuutroman.