Beeld: Peter Stigter

Broeken bakkenà la Blanka

19 December 2016,

Als klein meisje rende Anbasja Blanken (29) nog door de bossen van Curaçao, om na een avontuurlijke dag haar rastaharen te laten rusten op haar stapelbedje. Nu is mode haar wereld, maar hart voor het paradijselijke heeft de ontwerpster nog steeds. “Toen ik stage mocht gaan lopen bij Viktor en Rolf dacht ik echt: hoe ben ik vanuit de jungle hier beland?”

Wanneer Anbasja over het verloop van haar leven praat weerklinken allerlei emoties in haar stem – dankbaarheid, dat vooral, maar ook trots. En af en toe een beetje ongeloof.
Ze groeide op in de warmte van Curaçao en lijkt dat gevoel mee te hebben genomen: zelfs haar werkplek draagt een huiskamergevoel, en heeft weinig weg van een standaard spartaans atelier. Overal zijn persoonlijke tintjes te herkennen, van de kinderfoto’s aan de muur tot haar Global Denim Award. Mode is niet alleen haar werk, maar ook haar thuis. Bij Anbasja kan je op de bank ploffen.

TUSSEN VRUCHTEN EN GROENTEN
Toen ze dertien was belandde ze met haar familie in Nederland, een totaal andere wereld dan het tropische Curaçao. “Het uitgangspunt was een betere toekomst voor ons, de kinderen. Dit was de manier waarop we meer konden bereiken. Ik groeide op in een bos, we hadden een huis zonder muren. Het was heel primitief. Alleen de slaapkamer had een soort van muurtje. Ik kom uit een grote familie en alle kinderen sliepen in stapelbedjes op dezelfde kamer. We hadden een put in de tuin die mijn vader ooit had gegraven en renden rond in de natuur.” De plek waar ze eerder leefde stond in schril contrast met het nuchtere Friesland, waar ze uiteindelijk een modeopleiding ging volgen. “Ondanks de grote overgang was ik blij met de keuze voor Nederland. Ik ben behoorlijk leergierig, als kind ook al. Ik vond het wel interessant dat we opeens met begrippen als elektriciteit te maken kregen. Daar hoefden we in Curaçao nooit over na te denken.”

OUI OUI, PARIS
Op creatief vlak was Anbasja altijd al bezig – ze hield zich veel met tekenen en handarbeid bezig. Haar oma maakte kleren voor alle kleinkinderen, ze kreeg van alles. “Ik denk dat ik mede daarom op de modeopleiding belandde. Ik wist in eerste instantie alleen helemaal niets over designers, het was echt een blanco wereld voor me. De standaard dingen die voor iedereen bekend waren, leken dat voor mij helemaal niet. John Galliano, bijvoorbeeld? Nog nooit van gehoord.” De ontwerpster schiet zo af en toe in de lach wanneer ze aan die tijd denkt. “Ondanks gebrek aan kennis bleef mijn liefde voor mode alleen maar groeien. Via mijn moeder vond ik toevallig een stageplek, en daar kreeg ik opeens écht een inkijkje in de modewereld. Ik werd meegenomen naar Parijs en wist niet wat me overkwam. Alles was zo chique, die cultuur kende ik helemaal niet. Die tijd was zo leuk en leerzaam, en heeft me alleen maar meer gemotiveerd om daadwerkelijk ontwerper te kunnen worden. Ik ben mijn stagebegeleider nog elke dag dankbaar.”

TOVERKUNST
Nadat ze haar opleiding aan het mbo succesvol had afgerond vertrok ze richting de Hogeschool voor de Kunsten. “Wie ik écht wilde worden is gegroeid tijdens die studie. Ik ging mezelf afvragen: hoe wil ik me gaan positioneren? Het liefst wilde ik een balans vinden tussen het draagbare en het ondraagbare.” Ze kreeg uiteindelijk de kans om stage te lopen bij Viktor & Rolf, wat ‘echt haar droom was’. “Ik keek zó tegen hen op. Het is zo’n groot bedrijf, de snelheid waarmee alles verloopt is best intens. Het tempo ligt hoog, je kan niet achterover zitten en wachten op toegewezen taken. Je moet echt verantwoordelijkheid nemen. Ik werd helemaal meegenomen in die wereld vol allure en mocht mee naar Parijs om alle modellen te kleden. Na de show stond iedereen te huilen omdat het klaar was.

De modewereld is een interessante, en ik vroeg me in het begin nog wel eens af of ik er tussen zou ‘mogen’ passen als Antilliaanse. Uiteindelijk is en was dat echter helemaal niet het belangrijkste – het gaat om die passie. Ik heb vooral een grote liefde voor techniek, en denk nog steeds terug aan degene die in het atelier van het bedrijf werkte. Hij kon echt álles fixen, dat was net toverkunst. Als je begrijpt hoe alle lijnen van kleding werken ben je goud waard. Ik dacht: wauw, neem alles in je op zolang het nog kan!”

DOODANGSTEN
Na haar afstuderen ging de bal meteen rollen en kwam modeproject MOAM op haar pad, waarbij je met een aantal andere ontwerpers in hoog tempo een collectie moet neerzetten. Na die periode dacht ze: ik moet de boel meteen weer oppakken. “Ik hield mijn Instagram fanatiek bij en werd toen opeens benaderd: of ik met Fashion Week een collectie wilde laten zien. De droom voor een eigen label was er altijd al, maar je weet niet hoe moeilijk of makkelijk het nou daadwerkelijk is om zelf iets te beginnen. Dit was dé kans. De weg naar de show was uiteindelijk niet makkelijk: mijn vader overleed twee maanden daarvoor. Dat was drama, maar ik wilde niet in mijn verdriet verdrinken. Alle energie die ik had stopte ik in de collectie. Uiteindelijk is de collectie in anderhalve maand gemaakt met behulp van de meesteropleiding coupeur.”
Hoe het beviel om de collectie eindelijk te laten zien aan het grote publiek? “Schat, dat was doodeng. De bezoekers denken niet: ach, dit is haar eerste keer, laat ik mild zijn. Het is leuk of het is het niet. Ik was onwijs onzeker en begon aan mezelf te twijfelen. Ik dacht: had ik niet meer kunnen presteren dan dit? Maar ja, daar was de tijd niet naar. Het geld overigens ook niet.”
De reacties op haar eerste collectie waren uiteindelijk lovend. “Tuurlijk, ik had een concept met mijn collectie, het was vooral gebaseerd op de jaren vijftig. Maar wat ik vooral wilde laten zien was een liefde voor techniek, een passie voor vakmanschap. Ik wilde een vrouwelijk beeld creëren, dromerig, magisch bijna. Uiteindelijk ben ik heel blij met wat ik heb kunnen maken in zo’n korte tijd.”
Of haar kleurrijke creaties iets te maken hebben met haar roots? Ze begint te lachen. “Ik heb eigenlijk geen idee, maar misschien heb je daar wel gelijk in. Met mijn broekencollectie heb ik wel teruggegrepen naar vroeger. Ik dacht nooit zoveel aan Curaçao, maar had toen het gevoel dat het moest.”

Jeugdfoto’s van de tijd op Curaçao.

DE BROEK AAN
Het maken van een broekencollectie na haar eerste presentatie op Fashion Week was een hele impulsieve keuze. “Na die show dacht ik simpelweg: ik wil me gaan specialiseren. Iedereen doet het, een bakker bakt ook niet alle mogelijke dingen. Ik wilde één ding perfect doen in plaats van álles perfect willen doen. Want ja, hoe ga je daar uiteindelijk in godsnaam van leven? Ik zag het gewoon niet helemaal voor me.” Maar goed, zo’n broek, hoe ga je die dan interessant presenteren? “Ja, dat was eerst ook een goede vraag voor mij. Ik ging denken: wat is nou écht mij? Misschien moest ik toch gaan linken naar waar ik oorspronkelijk vandaan kom. Ik ben deels losgekoppeld van mijn roots en leef hier, maar mijn wortels liggen daar. Vandaar de labelnaam ‘ALA BLANKA’, en het gebruik van allerlei kleuren. Ik wilde een paradijs creëren voor een vrouw die vrij is en altijd in beweging. Ik heb mezelf nooit op één plek gezien, ik ben liever over heel de wereld.”

De standaard modedingen die voor iedereen bekend waren, leken dat voor mij niet. John Galliano? Geen idee. 

DE WERELD DER DENIM
En toen kwamen opeens de Global Denim Awards op haar pad, waarbij 11 internationale modeontwerpers samenwerken met hoogstaande denimbedrijven aan een collectie. Uiteindelijk beoordeelt een jury het werk, de prijs bedraagt 10.000 euro. Anbasja ging er met de winst vandoor. “Toen ik in eerste instantie benaderd werd voor de awards dacht ik: naja, wat moet ik daar nou weer mee? Denim is voor mij stoer, nonchalant, lekker edgy. Dat is zo ongeveer alles wat ik niet ben. Maar aan de andere kant: het kon echt een uitdaging worden. Daarnaast krijg je zelden een kans om met bedrijven in het buitenland samen te werken.” Ze vloog naar Teramo (Italië) voor een eerste kijkje in de denimwereld bij I.T.V DENIM. “Ik wist niet wat ik zag! Je kan zóveel met denim. Het is niet dat je vijf stoffen pakt en daarmee aan de slag gaat. Je kon al tienduizend verschillende keuzes aan stoffen maken. En dan kon je ook nog op een andere manier weven, wassen, of na bewerken. Over de kleuren nog niet gesproken. Ik schoot een beetje in de stress: wat zou innovatief zijn en ook nog haalbaar? Uiteindelijk wilde ik iets met licht en koraal. Je moest meteen denken: wow, dit is chique, is dit écht denim? Als dat niet zou lukken zou het duidelijk een gevalletje I don’t feel it worden.”

Toen Anbasja de collectie liet zien was ze flink onzeker tegenover een jury die al jarenlang met denim te maken heeft. “Toen ik eenmaal mocht vertellen hoe de collectie tot stand was gekomen ging ik helemaal los, ik werd met de minuut enthousiaster, samen met de jury. Ze konden niet geloven dat alles denim was. Ik had alles dermate precies afgewerkt dat je ook bijna niet kon zien dat het dat was.”
In januari staat Anbasja weer op Fashion Week, met een scala aan nieuwe broeken. “Ik mag nu in de allergrootste zaal staan, zo spannend. Alles moet nog gedaan worden voor de collectie, dat wordt wel pittig. Ik heb al een paar dingen gedaan, maar moet nu vooral nog veel regelen. Al die mail continu… Ik word soms wakker met pijn in mijn maag – dan bedenk ik me hoeveel ik moet doen. Alles vliegt alle kanten op door mijn hoofd, zoveel heeft prioriteit! Voor iemand die creatief is, voelt zoiets dodelijk. Als al het administratieve achter de rug is kan ik eindelijk weer doen waar ik het liefst mee bezig ben: dingen maken.”

Beeld: Team Peter Stigter